Hartelijk welkom op de website van ds. Bas van der Graaf, predikant van de Jeruzalemkerk in Amsterdam-West. Deze site bevat de teksten van preken, lezingen en artikelen. Ik hoop dat u er iets aan heeft. Uiteraard zijn de teksten pro Deo, maar als u ze waardeert, wilt u dan een gift voor het werk in de Jeruzalemkerk overwegen? U kunt die overmaken op postbankrekeningnummer 47.57.390 t.n.v. 'Protestantse Gemeente (inzake Jeruzalemkerk)'. Hartelijk dank!
| Lucas 2:7 Het geheim van het kind in de kribbe! |
|
|
|
|
Verkondiging op Eerste Kerstdag 2009 in de Jeruzalemkerk te Amsterdam, door ds. Bas van der Graaf
Zingen voor de dienst:
Gezang 138: 1 en 3 Komt allen tezamen
ELB 103: 1, 2 en 3: In Bethlehems stal
Gezang 134 : 1 en 2 Eer zij God in onze dagen
Stil gebed
Bemoediging en groet
Aansteken kaars en ophangen van de viltplaat
Sela-lied: Zo is het beloofd
Geloofsbelijdenis
Gezang 147: 1, 2 en 3 Looft God gij christnen
Gebed
-Kinderen zingen: Vrolijk Kerstfeest (Een kind is ons geboren)
Bijbellezingen:
Lucas 2: 1-7
Gezang 139: 1 (solo met orgel) en 3 (allen)
Lucas 2: 8-20
Tekstlezing: Lucas 2: 6 en 7 6 En het geschiedde, toen zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zou, 7 en zij baarde haar eerstgeboren zoon en wikkelde Hem in doeken en legde Hem in een kribbe, omdat voor hen geen plaats was in de herberg.
Gezang 133 (Het kinderlied van Luther)
Preek, met als thema: Het geheim van het kind in de kribbe
Zingen: Gezang 141 Ik kniel aan uwe kribbe
Dankbede en voorbeden
Vocaal Ensemble: Mary did you know? (vijfstemmig )
Daarna wordt gecollecteerd voor:
ZOA Vluchtelingenzorg 2.Kerk in Actie – Kinderen in de knel
Zingen: Ere zij God
Mededeling
Zegen
Inleidinkje op het kinderlied van Luther
Het kerstverhaal is een heel fijn verhaal om aan kinderen te vertellen. En ik denk, dat jullie het deze dagen al op verschillende manieren gehoord hebben: van de juf op school, in de kerstviering van de kindernevendienst, thuis uit de kinderbijbel, of misschien heb je het zelf wel gelezen in je Bijbel. Maar het kan ook nóg anders.
Heel lang geleden (ongeveer 450 jaar!) leefde er in een Duitsland een man die heel belangrijke dingen voor de kerk gedaan heeft. Die man heette Maarten Luther. Misschien hebben jullie wel eens van hem gehoord. Nou, Maarten Luther had ook kinderen en aan hen wilde hij het kerstverhaal zo vertellen dat ze goed zouden begrijpen wat het betekent. Dus hij dacht: ik maak een lied voor ze. En dan gebruik ik er een melodie voor die de kinderen kennen van de rondreizende verhalenvertellers in die tijd. Die liedjes heetten ‘maren’ en dat woord betekent ‘nieuwtje’. Die rondreizende zangers vertelden dus nieuwtjes, vaak uit verre landen. En Luther dacht: als ik nu van de verhalenverteller een engel maak, dan kan hij in dat lied ‘de blijde mare’ van het kerstverhaal gaan zingen. En dan speel ik zelf de engel en dan maak ik ook een paar coupletten om te antwoorden. Zo gezegd zo gedaan. Dat lied is er gekomen en het staat in het liedboek van onze kerk. En ik dacht: als we dat nou eens, samen met de kinderen, op het kerstfeest in de kerk zouden gaan zingen?
Maar wie moet dan de engel zijn? Dat moet ik dan maar zelf doen. Maar hoe herken je een engel? Aan zijn vleugels, maar die heb ik niet. O, maar ik weet het al: een engel heeft altijd een witte jas aan. Als ik die nou even aantrek dan ben ik een engel. O ja, en nog wat anders: je kunt een engel ook herkennen aan de manier waarop hij praat. Een engel praat ook altijd een beetje moeilijk, een beetje deftig. Een engel zegt niet: ‘Ik hep nou toch een verhaal jongen, je lacht je rot.’ . Nee, dat gaat niet he. Dat is geen engel. Dat is een tramconducteur. Een engel praat een beetje langzaam en soms gebruikt hij wat ouderwetse woorden en omdat engelen heel veel zingen praten ze ook een beetje zangerig. Nou, luister maar goed naar de engel en als hij uitgepraat is moeten we maar een antwoord geven. Dat antwoord hoeven we niet zelf te bedenken, dat komt op de muur staan. Als je al kunt lezen dan zing je maar mee en anders luister je maar mee. Daar komt ie.
Gemeente, gasten in ons midden,
Hebben we gemerkt wat Luther eigenlijk aan zijn kinderen wilde laten zien met zijn lied? Hij wilde ze iets laten zien van het grote geheim van het kind in de kribbe. Hij zei eigenlijk tegen zijn kinderen: laten we nu eens met elkaar om die kribbe heen gaan staan en dan heel goed kijken wat daar te zien is. Maar terwijl we kijken – laat hij de engel zeggen – moeten we ook heel goed luisteren naar wat er gezegd wordt, want alleen als we goed luisteren kunnen we zien wat we moeten zien.
En dat klopt ook. Want wat zien we nu eigenlijk, als we vanmorgen met zijn allen om de kribbe heen gaan staan? We zien een baby die helemaal is ingepakt in doeken. Zo deden moeders dat toen. We zien alleen zijn gezichtje, meer niet. Wat we ook zien is, dat hij in een voerbak ligt. Daar zal wel hooi in hebben gelegen, maar dat vertelt Lucas niet. Ook niet of er nog een dekentje was. Als we om ons heen kijken zien we dat we in een stal zijn. Een lege stal, zonder koeien en ezels, want die waren buiten op het veld. Meer is er eigenlijk niet te zien: geen stralenkrans om zijn hoofdje, geen engelen in de hoek, integendeel. Alles getuigt van eenvoud en van armoede.
Niets bijzonders te zien dus. Alleen als er woorden bij komen – van de engelen, van de verschillende schrijvers van het Nieuwe Testament - alleen dan kun je gaan ontdekken wat God hier heeft gedaan. Dat hier geen gewone baby ligt, maar de zoon van God, de Heer van de wereld. ‘Alleen wie luistert, telkens weer die ziet Gods zoon, de lieve Heer.’ Dat is dus het geheim: dat we als we goed luisteren de Zoon van God zien. En dat moeten we dan vanmorgen maar doen. We gaan luisteren naar wat er verteld wordt over de betekenis van de dingen die we zien.
*Laten we eerst maar kijken naar de doek waarin het kind gewikkeld was. ‘Ze wikkelde hem in een doek’, lezen we in vers 7. Daar was op zich niks bijzonders aan, dat deed elke moeder in die tijd. Kinderen werden helemaal ingepakt (gebakerd) en zo is het de eeuwen door gebleven. Maria was dus gewoon een zorgzame moeder voor haar kleine baby. En Jezus kreeg bij zijn geboorte wel de warmte en de liefde die hij als baby nodig had. Met hem gebeurde niet wat de profeet Ezechiël eeuwen geleden had gezegd als beeld voor het begin van Jeruzalem: ‘Op de dag dat je geboren werd, was er niemand om je navelstreng door te snijden of om je schoon te wassen, niemand om je met zout in te wrijven of in doeken te wikkelen’. Zo was het dus met Jezus niet!
Maar waarom noemt Lucas het dan toch? Als dit eigenlijk normale moederliefde was hoefde hij het toch eigenlijk niet te vertellen? Daar is door uitleggers veel over nagedacht en één ding is opgevallen en wordt steeds weer genoemd. Helemaal aan het einde van het boek Lucas, als Jezus is gestorven aan het kruis en wordt begraven, gebruikt Lucas het woord ‘in doeken wikkelen’ nog een keer. Daar vertelt hij, hoe Jozef van Arimathea het lichaam van Jezus van het kruis afhaalt, het in linnen doeken wikkelt en in een graf legt. Het zóu dus zo kunnen zijn dat Lucas het begin en het einde van Jezus’ aardse leven op deze manier verbonden heeft. Maar ook als hij dat níet bedoeld had, moeten wíj er wel aan denken dat dit kindje 33 jaar later zou sterven aan het kruis en begraven zou worden in een graf. We moeten zelfs zeggen, dat Jezus werd geboren óm aan dat kruis te sterven, voor ons, voor onze zonde. Vandaar dat Luther voor zijn kinderen al van dit kíndje zong: ‘Hij die je van je schuld bevrijdt geeft je geluk en zaligheid.’ Hoe belangrijk de geboorte van Jezus ook is voor ons, zijn dood is nog veel belangrijker! Want toen hij stierf bevrijdde hij ons van onze schuld. We kunnen Kerst alleen maar begrijpen als we weten dat het ook Goede Vrijdag en Pasen wordt. Dat is het eerste.
*Het tweede wat we zien is een kribbe. Een voerbak. ‘Ze legde hem in een voederbak’, lezen we. Daar was gezien de omstandigheden niet veel bijzonders aan. Nu ze eenmaal moesten overnachten in een stal was er niets anders voor handen. We hebben ook eigenlijk geen idee waar Jezus in gelegd zou zijn als ze thuis waren geweest in Nazareth. Jozef was timmerman, dus we mogen aannemen dat hij wel iets moois in elkaar had getimmerd, hoewel ik er aan twijfel of het een apart kinderkamertje zou zijn geweest met alle toeters en bellen waaraan dat vandaag de dag moet voldoen. Uit alles wat we weten van Jozef en Maria blijkt dat ze niet rijk en waarschijnlijk zelfs arm zijn geweest. Aan improviseren waren ze dus wel gewend.
Toch is dit detail voor Lucas belangrijk en sprekend geweest. Ook dit had hij niet hoeven opschrijven, maar hij zag er toch een belangrijke aanwijzing in voor de betekenis van dit kind in de kribbe. Over dit kind waren door de engel al grote dingen verteld, aan Maria en aan Zacharia. Er was van hem gezegd dat hij de langverwachte koning was en de Zoon van de Allerhoogste, die zou heersen tot in eeuwigheid. Maar dat hij onder zulke armoedige omstandigheden ter wereld kwam was volgens Lucas veelbetekenend en vol beloften. Want deze koning zou dus eerst en vooral oog hebben voor arme en kleine mensen. Hij zou het - zoals Maria al had gezongen in haar loflied - opnemen voor eenvoudigen om hen te verhogen, hij zou hongerigen met goederen vervullend en rijken met lege handen wegzenden. Het is dan ook Lucas, die meer dan de andere Evangelisten zou vertellen over Jezus’ omzien naar de armen en die bijvoorbeeld de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus als enige zou doorgeven.
Daar moeten wij dus goed op letten als we bij de kribbe staan. Armen krijgen voorrang in het koninkrijk van deze koning. Krijgen ze dat ook bij ons? Hebben we hart voor de armen van onze wereld, van onze stad? Doen we wat we kunnen om hen te helpen? Als we knielen voor de kribbe gaat ons hart hopelijk juist voor hén open.
*Het derde wat we zien is dus een stal. Of eigenlijk moeten we zeggen: Lucas vertelt ons vooral wat we níet zien, namelijk een herberg. Lucas schrijft: ‘omdat er voor hen geen plaats was in het nachtverblijf van de stad.’ Waarom was er geen plaats? Wel, niet omdat het kerstfeest was en de mensen een stedentrip deden. Nee, de stad zat vol evacués. Mensen die vanwege een maatregel van de Romeinse bezetter op reis waren gegaan om zich in de plaats waar ze vandaan kwamen te laten inschrijven.
Wij kunnen ons dat waarschijnlijk niet voorstellen, wat dat betekent. Maar miljoenen mensen in de wereld weten precies wat dat betekent. En mensen die de oorlog nog hebben meegemaakt ook. Ik vond het heel treffend dat Oepke Noordmans, in een meditatie van net na de oorlog, juist op dit trekje van het geboorteverhaal ingaat. Hij schrijft: ‘Het is een gebeuren, dat in roerige tijden telkens voorkomt, als volksmenigten van hun woonplaatsen moeten wegtrekken. Wij kennen dat uit de oorlogsjaren.’ En vervolgens vraagt Noordmans zich dan af wat de troost is van het Kerstevangelie in een wereld waarin zo velen evacué, vluchteling zijn. Noordmans zegt daar mooie dingen over. Ik noem een paar van zijn zinnen. ‘Zo is Jezus op aarde gekomen; te midden van een evacuerende menigte. De nood van het volk is de poort geweest waardoor hij binnenkwam. Hij heeft ons vlees aangenomen met die nood erbij.’ En wat verder: ‘Zo moet men dat kindeke in de kribbe zien. Hij is geboren onder de geëvacueerden. Onder degenen, die uit hun staat en stand en toestand zijn verdreven, zodat men zich afvraagt: zijn dit nog mensen?’ ‘Dit evangelie, de verkondiging dat God zich ons lot aantrekt, wie wij verder ook mogen zijn, mens of geen mens, dat evangelie hebben wij nodig.’
Het kind in de kribbe betekent hoop voor de vluchtelingen en de geëvacueerden. God ziet in Jezus naar ze om. Dat betekent niet, dat ze meteen naar huis kunnen. Voor sommigen zal het leed in dit leven niet worden opgelost. Maar het kind in de kribbe is de verzekering, dat hun lot bekend is bij God en dat hij dat niet zal vergeten. Eens, op de dag dat hij komt om zijn koninkrijk op aarde in alle volheid te stichten en hij alle dingen rechtzet zal blijken dat hij ook de vluchtelingen niet vergeten is. Laten wij dat daarom ook niet doen: in ons denken over de vreemdeling in ons midden, in onze gebeden en wie weet in de openstelling van ons huis, hoe dan ook.
*Hebben we inmiddels ontdekt dat Luther gelijk had,toen hij zei: Als je goed luistert dan zie je wie het Kind in de kribbe wérkelijk is? Zullen we dan nog één keer naar Luther luisteren, wat die ons daarstraks over dit kind in de kribbe heeft laten zingen? In het 9e couplet liet hij ons zingen: ‘O Heer die alles hebt gemaakt, hoe werdt Gij nu zo arm en naakt dat Gij in doeken liggen moet in ’t hooi dat os en ezel voedt.’ Dat is me nogal wat: de Heer van de schepping ligt als baby in het hooi. God is baby geworden. Daar ligt God in het menselijk vlees. Waar haalt Luther dat vandaan? Wel, dat heeft ook hij niet bedacht maar gehoord, van de verschillende schrijvers van het Nieuwe Testament, maar vooral van Johannes. Die begon zijn Evangelie met die verbijsterende woorden: het woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Dat is zó groot, dat moet je echt verteld worden, want hoe zou je dat anders moeten zien?
Kunnen we dat eigenlijk (nog) geloven vandaag? Op zijn minst roept het voor mensen van vandaag wel heel hele grote vragen op. Zo schreef Max Lucado in 1987 een boek onder de titel God kwam bij ons. Een van de hoofdstukken heet: 25 vragen voor Maria. Dat is precies het soort vragen die bij ons ook naar boven komen als we er aan denken dat God mens werd. Ik noem er een paar (niet alle 25): Had je een onbehaaglijk gevoel wanneer je hem vertelde wie de wereld geschapen heeft? Is de gedachte ooit bij je opgekomen dat de God tot wie je iedere avond bad, lag te slapen onder je eigen dak? Heb je ooit met hem de geprobeerd de sterren te tellen en hoe ver kwamen jullie dan? Haalde hij goede cijfers op school? Hadden zijn andere broers en zussen door wat er aan de hand was? Heb je ooit gedacht: Dat is God die mijn soep eet?
Ja, op dat soort vragen kom je als je tot je laat doordringen wat het betekent dat de zoon van God mens werd. Het is niet zo vreemd dat mensen het moeilijk vinden de woorden van Johannes te geloven. Sommige theologen hebben er zelfs radicaal afstand van genomen en willen in Jezus hooguit een door God geïnspireerd mens zien. Ik ken die vragen en twijfels maar al te goed, ben er ook wel een tijdje in meegegaan, maar ik ben toch weer teruggekeerd. Hoe onvoorstelbaar het ook is, hoe veel vragen ik ook niet kan beantwoorden, ik ben tot de conclusie gekomen dat ik niet kan geloven in Jezus zoals hij in het NT wordt verkondigd, als ik niet aanvaard dat hij de Zoon van God is. En vanaf het moment dat ik daar voor ben gaan buigen heb ik meer en meer ontdekt dat juist de vleeswording van God het ankerpunt van mijn hoop is. Geloven in Jezus betekent: verbonden zijn met de schepper van hemel en aarde, die niet loslaat wat zijn hand eenmaal begon.
*Daarom ben ik ook steeds beter gaan begrijpen, waar zoveel kerstliederen ons toe aansporen. In allerlei toonaarden wordt ons toegeroepen: ‘Komt laten wij aanbidden, die Koning.’ Wat is aanbidding? Aanbidding is overgave aan God. Hem eren met heel je hart, heel je ziel, heel je verstand en met alle kracht. Aanbidding is: Hem het centrum van je leven laten zijn. Aanbidding is: belijden dat God groter is dan je hart, groter dat je macht, groter dan je gevoel en groter dan je denken. Daarom is aanbidding het mooiste wat je kan gebeuren.
Aanbidding. Niemand anders dan God heeft er recht op. Wanneer we onze aanbidding dus ook op Jezus, het kind in de kribbe richten, moeten we wel weten wat we doen. Aanbiddend knielen voor de kribbe kan alleen als we geloven dat het kind dat daar ligt inderdaad God zelf is. Maar het werkt gelukkig ook andersom: juist door het te gaan doen gaan we het ook geloven. Daarom zingen we zo, in antwoord op de preek het lied ‘Ik kniel aan uwe kribbe neer, o Jezus, Gij mijn leven.’ Ik hoop van harte, dat we zullen doen, om het te gaan geloven of omdat we het geloven. Want het kind in de kribbe belichaamt een groot en goddelijk geheim.
Amen |
| < Vorige | Volgende > |
|---|








