Home

Hartelijk welkom op de website van ds. Bas van der Graaf, predikant van de Jeruzalemkerk in Amsterdam-West.  Deze site bevat de teksten van preken, lezingen en artikelen. Ik hoop dat u er iets aan heeft. Uiteraard zijn de teksten pro Deo, maar als u ze waardeert, wilt u dan een gift voor het werk in de Jeruzalemkerk overwegen? U kunt die overmaken op postbankrekeningnummer 47.57.390 t.n.v. 'Protestantse Gemeente (inzake Jeruzalemkerk)'. Hartelijk dank! 

Sefanja 3:9-20 Adventsverwachting van Sefanja PDF Afdrukken E-mail

Verkondiging op zondag 13 december 2009 in de Jeruzalemkerk te Amsterdam,

door ds. Bas van der Graaf

 

Serie: Oude profeten spreken over een nieuwe toekomst

 

Orde van dienst

 

Welkom en mededelingen

 

Voorbereiding

 

Intochtslied: Psalm 150 (orgel)

 

Stil gebed

 

Bemoediging en groet

 

Lofprijzing en aanbidding

 

- Gezang 125: 1,3 en 5 (orgel)

 

- Opwekking 411 (Geprezen zij de Here)(band)

 

- Opwekking 349 (Hij is verheerlijkt)

 

Nadering tot God

 

-Gebod of belofte van God: Het grote gebod

 

-Gebed om vergeving en vernieuwing

 

-Zingen (band): Kinderlied: blijf bij Maria, Jozef (solo)

 

(Kinderen nevendienst)

 

Voorbeden

 

-Voorbeden

 

-Lied: Psalm 85: 1 en 3(orgel)

 

Het Woord van God

 

Bijbellezing: -Sefanja 2:3 en 3: 9-20

 

Muzikaal intermezzo Op U mijn Heiland ..’

 

-Filippenzen 4:4-9

 

Tekst voor de verkondiging: Sefanja 3: 12 en 13

 

Verkondiging, met als thema: Adventsverwachting van Sefanja

 

Ons antwoord

 

Zingen: Gezang 118: 1 en 2 (orgel)

 

Dankgebed

 

zameling van de gaven

 

Zingen: Psalm 147: 3 en 5 (orgel)

 

Zegen

 

Inleiding op de Bijbellezing

 

In deze periode van Advent lezen we –volgens een leesrooster van de kerk- teksten van vier kleine profeten in Israël. Vandaag is dat de profeet Sefanja. Sefanja profeteerde rond het jaar 625 voor Christus, in de jaren voorafgaand aan het grote crisismoment in de geschiedenis van Israël: de ballingschap naar Babel. Sefanja leefde dus veel vroeger dan de profeten waar de vorige twee weken naar luisterden –Zacharia en Malechi- want zij leefden in de tijd ná de ballingschap, in de 5e eeuw. Toch hebben hun profetieën allerlei overeenkomsten. Allemaal leefden ze in een tijd waarin het met de dienst aan God slecht gesteld was. De Israëlieten dienden naast of in plaats van God andere goden en verder stoorden ze zich ook niet aan Gods geboden van recht en gerechtigheid. Maar alle drie de profeten verkondigen, dat God dit niet op zijn beloop zal laten. Er komt een dag, zo verkondigen ze, dat God zal komen om het kwaad te oordelen. Sefanja heeft over dat oordeel in zijn eerste twee hoofdstukken breedvoerig en aangrijpend gesproken.

 

Maar het is vooral Sefanja die in zijn profetieën –en zeker degene die we vandaag lezen – oog heeft voor een rest van het volk, die trouw is en die door dat oordeel heen zullen komen. Het heeft er alle schijn van, dat Sefanja die rest bij uitstek op het oog heeft als hij zijn profetieën uitspreekt. Het is daarom een goed idee als wíj vanmorgen ook goed op die rest letten en ons afvragen wat die ons te zeggen heeft. We lezen nu Sefanja 3:9-20.

 

Verkondiging

 

Gemeente, gasten in ons midden,

 

Er is de laatste jaren heel veel gedacht en geschreven over de toekomst van de kerk in Nederland. En daar is ook alle reden toe, want al decennia lang lijdt de kerk aan ledenverlies. Nog steeds neemt het aantal leden van de kerk wekelijks (!) af met een aantal dat is te vergelijken met twee plaatselijke kerken. En het einde van die daling lijkt nog niet in zicht. De kerk dreigt als het zo door gaat in Nederland een restverschijnsel te worden.

 

Een restverschijnsel. Het lijkt erop, dat veel opinieleiders en ook politici dat inmiddels als een voldongen feit beschouwen. En meer en meer maken ze duidelijk – soms met een naar intolerantie neigende arrogantie – dat dit maar goed is ook. Hoe kleiner de kerk (en de moskee en alle andere religies) wordt, hoe beter het is. Want de norm is – zo las ik in Trouw vorige week – meer een meer seculier. Een recente uiting van deze houding zagen we in de door de bijna voltallige gemeenteraad van Amsterdam aanvaarde motie om niet langer subsidie te geven aan religieuze welzijnsorganisaties die hun medewerkers uitsluitend uit de eigen achterban recruteren. De motie is inmiddels terecht afgeschoten door B&W, maar het statement is wel gemaakt. Ik vrees dat het de opmaat is voor heel veel meer.

 

De kerk als restverschijnsel. Dat doet natuurlijk ook wat met de léden van de kerk. Met óns zoals we hier zitten, met degenen die overwegen zich aan te sluiten. Het kan je soms aanvliegen, dat de kerk in Amsterdam nog maar zo’n marginaal verschijnsel is. Het brengt aanvechting met zich mee, twijfel of op zijn minst een Calimero-gevoel: want zij zijn groot en ik is klein! Anderen stropen juist de missionaire mouwen op: we moeten getuigen en mensen bereiken en nieuwe gemeenten stichten en God bidden om groei.

 

De kerk als restverschijnsel. Het roept van alles wakker. Herkennen we dat?

 

*Het ziet er naar uit dat de profeet Sefanja het zeker herkent. In zijn tijd was er naar het zich laat aanzien nog maar een heel klein groepje over dat de knie niet had gebogen voor Baäl of andere goden. Het gebouw van de tempel stond nog prominent midden in de stad Jeruzalem, maar de HERE, de God van het verbond, stond er niet meer centraal. Tussen de regels van onze Bijbellezing door proef je dat van het grote gebod –God liefhebben boven alles en je naaste als je zelf – weinig meer te zien was in de stad. Vers 11 spreekt over overmoed en opstand tegen God, vers 13 over onrecht en leugens. God en de naaste werden in Jeruzalem schromelijk tekort gedaan en de reden was hoogmoed. Mensen hadden aan zichzelf genoeg en hadden God en de naaste niet meer nodig. Ten hoogste voor eigen doeleinden, maar niet meer om te dienen. Dat klinkt als een godsdienstig en maatschappelijke faillissement en dat is het ook in de ogen van God.

 

Maar temidden van al die duisternis is er toch een sprankje hoop. Want er ís nog een rest, een overblijfsel in Israël. Het zijn de mensen waar ook Sefanja deel van uitmaakt. Mensen die trouw zijn gebleven aan de dienst van God en de woorden van de Thora hebben bewaard en eruit leven. Wie die mensen precies geweest zijn en hoeveel het er waren weten we niet. Maar de meeste uitleggers gaan er wél van uit, dat de aanduiding ‘arm en zwak’ in vers 12 op hen van toepassing was. Die woorden ‘arm en zwak’ zijn eerst en vooral aanduidingen van hun sociale positie. Het waren niet de welgestelden, de invloedrijken, de hoogopgeleiden die trouw waren gebleven, maar de zwakken, de kwetsbaren, de armen. Het is niet voor het eerst en ook niet voor het laatst dat juist deze groep de hoop levend houd en het geloof verder draagt. Paulus zal veel later, in 1 Korinthe 1, over de christenen van zijn tijd schrijven dat het ‘niet vele edelen en niet vele wijzen’ zijn. Ik kom daar straks nog even op terug, want dat is een heel belangrijk gegeven. Maar eerst gaan we kijken naar de belofte die God aan deze restgroep geeft.

 

*Wat voor beloften krijgt de rest van Israël en ook Jeruzalem? We lezen in vers 12: ‘Ik zal een arm en zwak volk binnen je muren achterlaten, dat in de naam van de HEER een toevlucht vindt.’ Letterlijk staat hier: doen overblijven. Of: sparen. Duidelijk is dus, dat het de HERE God zelf is die dit doet. Híj is degene die zal oordelen over de hoogmoedigen, zij die in al hun arrogantie meenden dat ze groter waren dan God. Maar Hij is óók degene die trouw blijft aan zijn beloften en die daarom degenen die trouw bleven uit dat oordeel zal redden. En de vromen en getrouwen die tot die rest behoorden zullen zichzelf met blijdschap hebben herkend in de aanduiding ‘arm en zwak volk’. Hij heeft het over ons, zullen ze hebben gezegd. God is ons niet uit het oog verloren, Hij denkt aan ons en houdt ons vest.

 

De tweede belofte vinden we in vers 13: ‘Wie er van Israël overblijven, zullen niet langer onrecht doen, ze zullen geen leugens spreken, uit hun mond zal geen bedrieglijke taal meer klinken.’ Het volk dat als rest de weg mag vervolgen zal zeker niet de kenmerken dragen van de groep die nú vooraan staat in Jeruzalem. Nee, de rest van Israël zal leven volgens de weg van God. De Thora, waarvan het doen van gerechtigheid het kloppende hart is en betrouwbaarheid van onze woorden het hoogste kenmerk van de waarheid. Als Gods toekomst aanbreekt zal de Thora dus in de harten van de leden van de rest geschreven zijn.

 

De derde belofte lijkt op Psalm 23. ‘Ze zullen weiden en rustig liggen, en niemand die ze stoort.’ Als een goede herder zal God de schapen van zijn kudde naar een plek brengen waar ze mogen rusten. Jeruzalem zal zijn als een groene weide, met wateren van rust en een ongestoorde vrede. Het is als de Pastorale van Beethovens Zesde Symphonie, het gedeelte ná het onweer en de storm, dat als ondertitel meekreeg: Hirtengesänge – Frohe und dankbare Gefühle nach dem Sturm.

Tenminste drie beloften dus voor de rest van Israël. Drie Adventbeloften, met perspectief.

 

*God is dus trouw aan de getrouwe rest en zet via hen zijn heilsplan voort. Dat is wat Sefanja voor zich ziet en hij is zeker niet de enige profeet bij wie dat zo is. Eigenlijk komen we dit gegeven al helemaal in het begin van de Bijbel tegen, in de geschiedenis van Noach. Dit is de eerste keer dat het woord ‘rest’ in de Bijbel voorkomt. De hele aarde is verdorven en gaat ten onder in de zondvloed, maar Noach blijft met zijn gezin over, gered in de ark. Hetzelfde lezen we bij de profeet Elia. Hij zit op een bepaalde dag totaal gedesillusioneerd onder een jeneverstruik (ik geloof niet dat daar alcohol in zat!) en hij zegt tegen God: ik ben nog maar alleen overgebleven. Maar God weerspreekt hem en zegt: ‘Ik zal in Israël zevenduizend overlaten, alle knieën die zich niet hebben gebogen voor de Baäl.’ En later zal ook de apostel Paulus de restgedachte oppakken, als hij worstelt met de vraag waarom maar zo weinig van zijn joodse volksgenoten de Messias hebben aanvaard. Kortom: de gedachte aan een rest die overblijft vormt een rode draad in de boodschap van de Bijbel.

 

Ik geloof dan ook dat we mogen zeggen, dat die beloften van een rest ook voor de kerk vandaag van groot belang zijn. Het is een belofte van hoop, die juist in de tijd van Advent oplicht en door ons omarmd mag worden. Heel basaal is de hoop die we uit deze belofte mogen putten deze: hoe onstuitbaar het aantal mensen dat de kerk verlaat ook is en hoe graag sommigen columnisten en politici de kerk ook willen marginaliseren en het liefst uitwissen, er zal altijd een rest overblijven. Geen restjé, een paar in doodsnood stuiptrekkende ledematen, maar een rést met een belofte voor de toekomst. Op deze 3e zondag van Advent laven we ons aan de steeds herhaalde belofte in de Bijbel, dat God zelf er voor zal instaan dat er op aarde een volk overblijft dat hem eert en dient, tegen de verdrukking in. Een volk uit Israël, maar ook uit de volken (vers 9)

Ík zal een volk achterlaten. Dat is het steeds terugkerende refrein van Gods belofte.

 

*Het lijkt me goed dat nog een beetje concreter te maken. Bij mij kwamen twee gedachten op.

 

De eerste is deze: de bijbelse ‘restgedachte’ geeft ons een belangrijk perspectief om christen en kerk te zijn in deze stad. Op dit moment wordt vrijwel door alle kerken in Amsterdam hartstochtelijk nagedacht over de toekomst van de kerk. Daarbij gaat het aan de ene kant over vernieuwing van de kerk (het creëren van nieuw elan), maar ook wordt er gedroomd van een nieuwe groei van kerken en gelovigen. En met name die laatste is natuurlijk spannend: zou dat kunnen, dat de kerk in Amsterdam weer gaat groeien? Dat hoop ik natuurlijk wel en zet ik me met hart en ziel voor in. Maar de eerlijkheid gebied om te zeggen dat er van groei over de hele linie nog geen sprake is. Vandaar dat ik de laatste tijd veel heb nagedacht over die restgedachte uit de Bijbel. Zou dat niet een heel vruchtbaarder perspectief kunnen zijn waarmee we werken? Misschien kómt er helemaal geen groei, misschien gaan er nog wel tientallen kerken dicht in Amsterdam en misschien worden we nog veel verder de marge ingeduwd. Waarom zou het bij ons per sé anders gaan dan in de dagen van Sefanja? Maar áls dat zo gaat is het niet hopeloos! Want ook dan mogen we geloven dat God met een kerk die de trekken van een rest in de marge draagt zijn plan kan doorzetten. Ik weet nu hoe u dat ervaart, maar mij geeft het rust en troost. Dat is de eerste gedachte.

 

De tweede is deze: Wat betekent het voor ons dat die woorden ‘arm en zwak’ in vers 12 eerst en vooral een sociale betekenis hebben? Daar heb ik ook best veel over nagedacht de laatste tijd, vooral met het oog op de twee sporen die wij in ons missionaire werk volgen. In ons project Thuiskomen (Westerwijk) richten we ons op mensen die je vaak ‘arm en zwak’ zou kunnen noemen, terwijl we ons vanuit de Jeruzalemkerk meer (niet alleen!) op hoger opgeleide jonge mensen richten. Dat laatste gaat natuurlijk het gemakkelijkst, omdat er daar veel van in deze kerk zitten. En dat maakt het voor het draagvlak van het werk in Westerwijk niet eenvoudiger, omdat steeds minder mensen uit onze gemeente zich geroepen voelen zich daar in te zetten. Maar de vraag die bij mij blijft knagen is: waar zouden Gods prioriteiten nu eigenlijk liggen? Ligt zijn hart eerst en vooral bij de sterken in deze stad of toch bij de ‘armen en zwakken’. Ik geloof niet dat we die twee groepen tegen elkaar moeten uitspelen (zoals dat in de theologie wel is gebeurd), maar het zou zomaar kunnen dat de belofte van Sefanja 3 in Westerwijk sneller wordt begrepen dan in deze kerk. En waar hebben wij dan hart voor?

 

*Ik ga afsluiten. En dat doe ik met de vraag welke levens- en geloofshouding er nu van ons gevraagd wordt vanuit dit Adventsevangelie van Sefanja. Ik denk dat we het antwoord vinden in dat ene vers uit hoofdstuk 2, waar het ook al over de rest ging. Zij worden hier aangesproken als ‘allen in het land die nederig zijn en naar zijn wetten leven’. Dat is al een sprekende aanduiding, vinden we niet? Maar rondom deze aanduiding staat drie keer de opdracht ‘zoek’: zoek de HEER, zoek rechtvaardigheid, zoek nederigheid. Zoek de HEER wil zeggen: richt je op hem, in gebed en door te luisteren naar zijn woord. Laat je door hem leiden. Zoek gerechtigheid betekent: richt je op de gehoorzaamheid aan zijn geboden, want als je dat doet zul je ook de gerechtigheid gaan zoeken voor de mensen om je heen. Dan krijg je hart, voor de armen en de zwakken en hen die lijden onder onrecht. En tenslotte: zoek ootmoed. Leef in overgave en afhankelijkheid van God,verzet je tegen de hoogmoed van onze cultuur, wandel in nederigheid met je God.

 

Herkenen we misschien iemand in deze typering? Ik zelf wel. Dit is een prachtige beschrijving van Jezus, zoals hij onder ons geleefd heeft. Altijd zocht hij de verborgen omgang met zijn hemelse Vader, omdat hij niet anders dan zijn wil wilde doen. Altijd zocht hij de gerechtigheid, voor de armen, de zwakken, de zieken, de mensen om hem heen. En altijd zocht hij de weg van de nederigheid: hij was gekomen om te dienen en niet om gediend te worden. Die nederigheid hield hij vol tot het einde, tot aan het kruis, waar hij het oordeel onderging waar de profeten over spreken. En wij mogen geloven, dat als we hém volgen, wij niet veroordeeld zullen worden. Dus die laatste woorden van 2:3 mogen we in geloof in Jezus zo lezen: ‘vast en zeker blijven jullie dan gespaard op de dag van de toorn van onze Heer.’ Laten we zo via Jezus zoeken naar de HEER, naar gerechtigheid en naar ootmoed.’ Ja, laten we het zoeken bij hem en daar zúllen we vinden!

 

Amen

 

 

 

 
< Vorige   Volgende >