Hartelijk welkom op de website van ds. Bas van der Graaf, predikant van de Jeruzalemkerk in Amsterdam-West. Deze site bevat de teksten van preken, lezingen en artikelen. Ik hoop dat u er iets aan heeft. Uiteraard zijn de teksten pro Deo, maar als u ze waardeert, wilt u dan een gift voor het werk in de Jeruzalemkerk overwegen? U kunt die overmaken op postbankrekeningnummer 47.57.390 t.n.v. 'Protestantse Gemeente (inzake Jeruzalemkerk)'. Hartelijk dank!
| Zacharia 14 Adventsverwachting van Zacharia |
|
|
|
|
Verkondiging op zondag 29 november -1e zondag van de Advent - 2009 in de Jeruzalemkerk te Amsterdam, door ds. Bas van der Graaf
Adventsserie: Oude profeten spreken over een nieuwe toekomst
Orde van dienst
Welkom en mededelingen
Voorbereiding
Intochtslied: Gezang 120:1 (orgel)
Stil gebed
Bemoediging en groet
Aansteken 1e Adventskaars en ophangen plaat
Lofprijzing en aanbidding
- Gezang 120: 2(orgel)
- PvN 121(band)
- Kinderlied: Alle eer aan God.
Nadering tot God
-Gebod of belofte van God
-Gebed om vergeving en vernieuwing
-Zingen (solo): Zo is het beloofd
(Kinderen nevendienst)
Voorbeden
-Voorstellen nieuwe gemeenteleden
-Voorbeden
-Lied: Psalm 93: 1, 2 en 3 (orgel)
Het Woord van God
Bijbellezing: Zacharia 14
Verkondiging, met als thema: Adventsverwachting van Zacharia
Ons antwoord
Zingen: Gezang 123: 1, 2 en 3 (orgel)
Dankgebed
Inzameling van de gaven
Zingen: Psalm 147: 1 en 4
Zegen
Inleiding op de Bijbellezing
In deze periode van Advent lezen we –gebruik makend van een leesrooster in de kerk- woorden van vier profeten van Israël. De tekst die we vandaag lezen is wel meteen een moeilijke en ook heftige. Het is een tekst van de profeet Zacharia, die leefde in de vijfde eeuw voor Christus. Zacharia was de zoon van een priester, een man met hart voor de tempel dus, die door God geroepen was als profeet. Het volk van Israël was nog niet zo lang geleden grotendeels teruggekeerd vanuit de ballingschap waarin het 70 jaar had geleefd. Er was hard gewerkt aan de herbouw van de stad Jeruzalem en van de tempel en Zacharia had daarin volgens zijn profetieën in hoofstuk 1-8 een hoopvol teken van een nieuwe tijd gezien. Inmiddels was de tempel klaar, maar bleek dat dit bepaald geen geestelijke opbloei had gebracht. De stad was nog vol afgoderij en valse profeten. Zacharia was een teleurgesteld man, die de hoop op een reformatie in zijn eigen tijd had opgegeven. Maar na 30 tot 40 jaar gaat hij opnieuw spreken – de hoofdstukken 9-14 getuigen daarvan – en daarbij richt hij zijn geestesoog op een dag in de toekomst waarop God door een vreselijk oordeel heen een nieuw Jeruzalem maar ook een nieuwe aarde zal geven. We lezen vanmorgen het afsluitende hoofdstuk van het boek waarin zijn profetieën staan. We lezen nu eerst Zacharia 14. Het stukje uit Openbaring 21:1-8, dat op de zondagsbrief staat, houden we bij de hand.
Verkondiging
Gemeente, gasten in ons midden,
Ik kan me zo voorstellen dat verschillenden van u tijdens de lezing van Zacharia 14 hebben gedacht: Wat heeft dit stuk in vredesnaam met óns te maken? Wat moeten wij met zo’n oude tekst over Jeruzalem en omstreken, een tekst vol vreemde beelden en onbegrijpelijke gedachten? Kan zo’n tekst ook maar iets te zeggen hebben voor mensen in Amsterdam en omstreken anno 2009? Ik kan me óók voorstellen dat verschillende van tijdens het lezen afhaakten of zelfs afknapten. Want er staat nogal wat geweld in dit gedeelte en het stukje van 12-15 is ronduit afschuwelijk. Bevestigt dit niet wat vandaag de dag in allerlei toonaarden het grote verwijt is in de richting van religie: dat religie uiteindelijk niet tot vrede maar tot geweld leidt? En vooral: kun je geloven in een God die zó gewelddadig handelt als ons in Zacharia 14 getekend wordt? Ik denk dat heel veel mensen dat vandaag de dag niet meer trekken. Van de week zei Maarten ’t Hart het nog in Trouw: Eigenlijk geloof ik het allemaal nog wel, maar die God van het Oude Testament, die vind ik afschuwelijk. En dat geldt echt niet alleen voor mensen buiten de kerk! Kortom: dat oude leesrooster van de kerk maakt het ons niet gemakkelijk vandaag en het ís zelfs de vraag of het nog wel bruikbaar is!
Toch ben ik er niet voor weggelopen deze week. Waarom niet? Omdat ik er al studerend achter kwam dat het in deze tekst om dingen gaat die tot de kern van de Bijbelse boodschap behoren. Het helpt dus niet zoveel om dit stuk over te slaan, want op andere plekken kom je vergelijkbare teksten tegen. Het is dus veel beter om er doorheen te kruipen en te ontdekken waar het goede nieuws van dit soort teksten zit. En dat zit er absoluut in, zo ontdekte ik. Meer dan ik in één preek kan verwoorden zelfs. Het goede nieuws staat tegen een donkere achtergrond en in een spannende context, maar het goede nieuws is uiteindelijk wél de spits. Het is toch een echte Adventstekst, een tekst die ons verwachting geeft van dingen die zullen komen, die God gaat doen op weg naar zijn grote toekomst. Ik ga proberen het uit te leggen.
*Laten we eerst maar eens proberen om het brandpunt, de focus, van Zacharia’s profetie te vinden. Dat brandpunt ligt bij de verzen 6-11. De rest van wat hij zegt ligt daar als het ware omheen.
Wat ziet Zacharia in deze verzen? Hij ziet kort samengevat een vernieuwde stad Jeruzalem op een vernieuwde aarde die onder de volledige heerschappij staat van de God van Israël. Ik leg die elementen even uit elkaar.
Allereerst dus een vernieuwde stad Jeruzalem. Wat Zacharia ziet is een stad die een veilige woonplaats is, waar nooit meer vernietiging over wordt afgeroepen (vers 11). Een stad van vrede dus, waar het veilig wonen is. Een heel ander beeld dan hij op dat moment om zich heen ziet: een stad omringd door vijanden, die moet vrezen voor zijn voortbestaan. Dat is al een mooi beeld. Nog mooier wordt het als we naar vers 8 kijken. Daar beschrijft de profeet hoe hij in de stad een zuivere rivier ziet ontspringen, die zowel in de zomer als in winter vol water is en in oostelijke en westelijke richting het land bevloeit.
De gevolgen worden beschreven in vers 10 (en dat is dan meteen het volgend element): het hele land wordt zo als de Jordaanvallei. Vanwege die zuivere rivier wordt het hele land bevloeid en wordt groen en vruchtbaar. Een bijzonder beeld dus, dat ook in omliggende godsdiensten wel voorkwam: vanuit de stad van God wordt het hele omliggende land een soort paradijs. De aarde wordt nieuw.
En in vers 9 verwoordt Zacharia dan het diepste geheim onder dit alles: ‘De Heer zal koning worden over de hele aarde. Dan zal de Heer de enige God zijn en zijn naam de enige naam.’ Alle afgodendienst, die er nu nog in Jeruzalem en in het land is, zal verdwenen zijn en God is (om het met een woord van de apostel Paulus te zeggen ) alles en in allen. Het Koninkrijk van God is aangebroken en is gekomen over heel de aarde.
*Dat is wel een prachtig beeld, vinden we niet? Daar kunnen we wel van genieten. Maar het wordt spannend als we beseffen dat Zacharia geen organisch groeimodel voor zich ziet. Het zal niet zo gaan dat het door een proces van geleidelijke verandering uiteindelijk tot die paradijselijke toestand zal komen. Dat soort vooruitgangsgeloof kent Zacharia (en de hele bijbel!)nergens. Integendeel: aan dat paradijs gaat een enorme crisis vooraf. Een oordeel. Een oordeel van God. Een oordeel met twee kanten.
Om te beginnen lezen we in vers 1-2, dat God een aantal volken op de been zal brengen, die de stad Jeruzalem zullen innemen en plunderen. God schakelt dus heidense volken in om een oordeel te voltrekken over zijn éigen volk. Zijn volk, dat ook na dat eerdere oordeel – de ballingschap – in veel opzichten was doorgegaan op heilloze wegen van afgoderij en het vergeten van de God van hun leven. Dit volk zal door zijn God niet gespaard worden: bezittingen zullen worden geroofd, vrouwen zullen worden verkracht en een deel zal opnieuw in ballingschap gaan. Dit alles zal God zijn volk niet besparen, integendeel, volgens Zacharia zal hij het over zijn volk brengen. Dat is de ene kant van het oordeel.
De andere kant is echter, dat die volken die aan Israël het oordeel voltrekken zélf ook geoordeeld en gestraft zullen worden. De reden voor die straf noemt Zacharia niet, maar grote profeten als Jesaja en Jeremia noemen dit wel steeds: het zal zijn vanwege hun overmoed en machtswellust. Alhoewel God gebruik maakt van hun macht, veroordeelt hij hun machtswellust en hoogmoed. En daarom zal hij op een gegeven moment zélf de strijd aanbinden tegen deze volken. Dat is wat we in vers 3-5 lezen. En waar dat toe leidt wordt beschreven in die afschuwelijke verzen 12-15: op het moment dat ze God tégenkomen, zullen ze door een plaag getroffen worden. Het lijkt erop, dat de pest uitbreekt in het kamp en dat mensen en dieren er door getroffen worden. Hoe dan ook: door paniek bevangen zullen ze elkaar afslachten. Dan zullen de Judeeërs (bewoners van het gebied rondom Jeruzalem) zich ook in de strijd mengen en de bezittingen van deze volken buit maken en verdelen.
*Ik maak even een tussenstop. Even een moment reflectie. Wat betekent dit nu, wat we hier lezen?
Om te beginnen moeten we maar gewoon constateren, dat dit soort oordeels- en geweldsteksten bepaald geen uitzondering zijn in de Bijbel. Hoe graag we dat misschien ook zouden willen: het gaat hier niet om wat kanttekeningen in de marge van een beeld van een overigens alleen maar lieve en vriendelijke God. De God die ons door de profeten van Israël wordt verkondigd en in felle kleuren voor ogen wordt geschilderd is een heilige God, die in woede kan ontsteken en niet terugschrikt voor gewelddadig ingrijpen in het leven van zijn volk en van de volkeren van de wereld. En wat telkens weer opvalt is, dat we de moeite die wij, mensen van vandaag mee hebben, bij diezelfde profeten eigenlijk nooit tegenkomen. Hoe kan dat?
Ja, hoe kan dat? Blijkbaar is er onderweg bij ons, mensen in de westerse cultuur, iets veranderd in het levensgevoel en daarmee in onze verwachtingen van God en van het leven. Wát daar zoal veranderd is niet zo lang geleden op diepzinnige wijze in kaart gebracht door Charles Taylor, in zijn magistrale boek A secular age (Een seculiere tijd). In dat boek laat hij zien hoe wij in het westen vanaf de 16e eeuw stapje voor stapje anders zijn gaan denken over de rol van de mens in de wereld en dus over de wereld zelf en over de vraag of en hoe daarin nog plaats zou kunnen zijn voor God. En de kern van die verschuiving is, dat voor ons de individuele mens met zijn eigenwaarde en zijn rechten zo centraal is komen, dat we het idee van een machtige God die mag oordelen over ons leven eigenlijk niet meer kunnen verdragen. Dit in tegenstelling tot mensen in de 16e eeuw, die onze vragen gewoon nog niet of nauwelijks hadden.
En dat is wat we dus voelen bij zo’n profetie als die van Zacharia. Maar dat betekent dus ook, dat wij vanmorgen voor een ingrijpende keuze komen te staan: geven we ons gewonnen aan het moderne wereldbeeld of buigen we (met alle vragen, aanvechtingen en open eindes die we daarbij houden) toch voor het Bijbelse wereldbeeld? Met andere woorden (en even sterk versimpeld): mag de God van de Bijbel oordelen over óns of mogen wij oordelen over de God van de Bijbel? Dat is de vraag waar ik, als post-moderne Bijbellezer en gelovige steeds weer tegenop loop. In discussies met hedendaagse spirituele zoekers, met critici van kerk en geloof, maar ook gewoon in mijn eigen stille tijd. En zonder alles te kunnen begrijpen of te willen invullen geloof ik dat ik moet buigen voor de boodschap van de profeten: God is een God die genadig is, maar die ook oordeelt.
Overigens werd ik in dat geloof gesterkt door kennis te maken met theologen uit delen in de wereld waar oorlog, geweld en onrecht aan de orde van de dag zijn. Theologen als de Kroatische theoloog Miroslav Volf, die vanuit zijn die ingrijpende ervaringen van de oorlog in Joegoslavië telkens benadrukt geen boodschap te hebben aan de lievige God van de op zelfontplooiing gerichte westerse gelovigen. Juist die boodschap van de God die een grens stelt aan onrecht en machtswellust biedt in die situatie uitzicht en troost. En precies dezelfde dingen hoorde ik vorig jaar van christenen in Sarajevo, waar ik op de Bijbelschool een paar lezingen over discipelschap heb gegeven. Met andere woorden: de wereld zou de Adventsboodschap van Zacharia wel eens harder nodig kunnen hebben dan we ooit kunnen beseffen.
*Goed, we richten onze blik weer op het visioen van Zacharia. Want wat voor wereld, wat voor stad, ziet hij uit het oordeel te voorschijn komen? Dit blijkt een wereld te zijn met een aantal heel bijzondere, soms overrompelend nieuwe trekken. Om te beginnen is het een wereld waarin de natuur in harmonie lijkt te zijn gekomen. Dat is het beeld dat in de verzen 6-11 naar voren komt. Daarstraks noemde ik al die levensrivier, waardoor het land in een paradijs veranderde. En sommige uitleggers menen (itt. de vertalers van de NBV) dat het wegvallen van het verschil tussen dag en nacht ook een teken van de nieuwe schepping is: de aarde is voor het licht niet meer afhankelijk van hemellichamen, maar wordt verlicht door God zelf (vergelijke Openbaring 21). Hoe dan ook: Zacharia ziet een glimp van een vernieuwde aarde, waarop de zegenrijke krachten de overhand hebben gekregen.
Een ander beeld is dat van de prominente plaats van de stad Jeruzalem. De stad zal hoog uitsteken boven de vlakte en een stad van vrede zijn. De vraag die gelovigen de eeuwen door heeft beziggehouden is: is dit een beschrijving van de aardse stad Jeruzalem of moeten we aan een hemels Jeruzalem denken? Op deze zondagmorgen van Advent beperk ik me tot één facet van de bijbelse Jerzualemverwachting, zoals we dat in het laatste boek van de Bijbel, in Openbaring 21 tegenkomen. Daar ziet een andere profeet, Johannes, hoe het nieuwe Jeruzalem uit de hemel neerdaalt om het centrum te gaan vormen van de nieuwe schepping. Ook in dat visioen ontbreekt het oordeel over de kwaaddoeners niet, maar bovenal herkennen we allerlei elementen terug uit de profetie van Zacharia. Kortom: Jeruzalem mag een soort samenvatting zijn van onze gegronde dromen.
In de derde plaats is er dan nog het bijzondere beeld dat aan het slot van Zacharia 14 wordt getekend. We zien daar, hoe een deel van de hiervoor geoordeelde volken zich zal bekeren tot de God van Israël. En net als de Israëlieten zullen ze jaarlijks optrekken naar Jeruzalem om daar het Loofhuttenfeest, het grote feest van Israël te vieren. En wanneer ze dat doen, zullen ze gezegend worden en delen in de vrede en de vruchtbaarheid van de nieuwe schepping. Doen ze dat niet, dan zal droogte hen treffen. Het is duidelijk dat Zacharia hier nog niet het beeld van totaal vernieuwde aarde voor zich ziet. Want enerzijds zijn de oude feesten nog in tact en anderzijds is er nog steeds ruimte voor ongeloof en weerstand tegen God, een situatie die volgens andere profetieën voorbij zal zijn als God zijn einddoel bereikt heeft. Dan zal hij alles zijn en in allen. Maar zelfs voor Zacharia was dit nog te onvoorstelbaar: hij blijft daarom steken in beelden die hem bekend en vertrouwd zijn.
Alleen aan het slot breekt het visioen daar even doorheen. Want daar ziet Zacharia om te beginnen dat er iets ingrijpends is gebeurd met de militaire macht in de wereld. In vers 20 zegt hij: ‘Als die tijd aanbreekt, zal zelfs op de bellen van de paarden (oorlogspaarden!) gegraveerd staan: ‘Aan de HEER gewijd’. Een bijzondere tekst, want het is precies deze tekst die ook op de tulband van de hogepriester stond. Het oorlogstuig is dus totaal onderworpen aan God. En dan is er nog iets: al het onderscheid tussen de heilige potten en pannen van de tempel en het gewone kookgerei is weggevallen. Er heeft een soort omgekeerde secularisatie plaatsgevonden: het onderscheid tussen heilig en profaan is weggevallen, maar dan in die zin dat alles heilig is geworden(in plaats van seculier). Dit betekent dat het hele leven op de nieuwe aarde heilig is geworden. Alles wat voorhanden is kan dienen om God te dienen en te eren. Dat moet voor de priesterzoon Zacharia een onvoorstelbaar idee zijn geweest, maar dat hij het tóch verkondigt onderstreept dat het voor hem de onontkoombare waarheid is. Dat is de nieuwe wereld die Zacharia tevoorschijn ziet komen. Het is een nog voorlopige tekening, die binnen de grenzen blijft van wat hij zich kan voorstellen en daar soms even doorheen breekt.
*Met dit visioen van Zacharia gaan we de periode van Advent in. Advent betekent dat we ons richten op wat komen gaat naar Gods belofte. Hoe dat zal zijn gaat ons voorstellingsvermogen in veel opzichten te boven. Maar de profeten laten ons er stukjes van zien, in visioenen van schaduw en licht. De geboorte van Jezus heeft de vervulling van deze profetieën een grote stap dichterbij gebracht en in een nieuw licht gezet. En alle profetieën zijn sindsdien als het ware in zijn perspectief opgenomen. Geloven in Jezus betekent: des te meer uitzien naar de doorbraak van Gods Koningschap, naar de vernieuwde schepping en naar het nieuwe Jeruzalem, waar we dan samen met alle volken die zich bekeerd hebben naar toe mogen trekken.
Amen
|
| < Vorige | Volgende > |
|---|








