Hartelijk welkom op de website van ds. Bas van der Graaf, predikant van de Jeruzalemkerk in Amsterdam-West. Deze site bevat de teksten van preken, lezingen en artikelen. Ik hoop dat u er iets aan heeft. Uiteraard zijn de teksten pro Deo, maar als u ze waardeert, wilt u dan een gift voor het werk in de Jeruzalemkerk overwegen? U kunt die overmaken op postbankrekeningnummer 47.57.390 t.n.v. 'Protestantse Gemeente (inzake Jeruzalemkerk)'. Hartelijk dank!
| Genesis 16 God ziet om naar weggekeken mensen |
|
|
|
|
Verkondiging op de MDP-zondag, 15 november 2009, in de Jeruzalemkerk te Amsterdam,
door ds. Bas van der Graaf (preek) en Nico van Splunter (liturgie)
Serie: Geloven in het spoor van Abraham
Thema: God ziet om naar weggekeken mensen
Mededelingen van ouderling van dienst
Aandacht actie schoenendoos
Lied: Psalm 87: 1, 2 (orgel)
Votum en groet
Introductie dienst: Wilma
Blokje liederen: Opw. 609 (band)
Opw. 337 (band)
Gebod: Lev. 19: 32-37
Lied: kinderen KND: Kyrie Eleison (band)
Gebed voor de opening van het Woord en voorbeden gemeente
Lezing: Gen. 16 en Gen. 25: 12-16
Lied Liedboek Gezang 487: 1 (orgel) (bij naspel kinderen naar KND)
(Vanaf hier neemt Bas de dienst over)
Preek:
Lied Psalm 139:1 en 5 (orgel)
(Vanaf hier neemt Nico de dienst weer over)
Update/vooruitblik van het werk van MDP met enkele foto’s door Wilma, Nico, en Anniek/Cees
Collecte(n)
Lied: PvN 23 (band)
zegen voor alle MDP betrokkenen / Dankgebed dienst – door Bas (beneden op podium)
Lied: Liedboek Gezang 434: 2 en 5 (orgel)
Zegen
Verkondiging
Gemeente, gasten in ons midden,
Het Bijbelverhaal van vanmorgen staat in veel opzichten denk ik heel ver van ons af. De manier waarop Sarai omgaat met haar kinderloosheid, maar vooral het plan wat ze smeedt om daar toch iets aan te doen, zijn voor ons in allerlei opzichten moeilijk toe volgen. Toch denk ik dat er rondom het MDP in Westerwijk heel wat vrouwen rondlopen voor wie dit verhaal in veel opzichten wél herkenbaar is. Het zijn vrouwen die uit culturen komen waarin de positie van de vrouw veel kwetsbaarder is dan bij ons en waarin ook het wel of niet krijgen van kinderen vaak heel anders wordt beleefd dan in de westerse cultuur. Hoe dan ook is het een feit dat ook rondom Westerwijk vrouwen wonen, die mét hun kinderen gevlucht zijn uit hun land en in ons stadsdeel terecht zijn gekomen. Vrouwen die het slachtoffer werden van rechteloosheid, van machtsmisbruik of gewoon van gewoonten en een cultuur die hen op bepaalde momenten maar erg weinig bescherming bood. En daar omheen staan mannen en vrouwen voor wie dat allemaal niet zo’n vaart liep, maar die toch uit hun land gingen en zich in meer algemene zin herkennen in wat in Genesis 16 allemaal wordt verteld.
Al met al lijkt Genesis 16 –een verhaal dat we zomaar tegenkomen in onze serie Geloven in het spoor van Abraham – heel geschikt te zijn om op deze MPD-zondag te lezen en te overdenken. Het is een verhaal dat ons helpt om te begrijpen wat er speelt in levens van vele migranten die onder ons zijn komen wonen. Maar het is ook een verhaal dat ons laat zien hoe Gód naar deze situaties kijkt en hoe dat óns weer leert om er naar te kijken. Laten we maar eens wat beter kijken naar de geschiedenis van Sarai, Hagar en Abram.
*Het begint allemaal bij Sarai, de vrouw van Abram. Van haar wordt in vers 1 verteld, dat ze Abram geen kinderen had gebaard. Een voor Sarai in twee opzichten heel moeilijke situatie. Allereerst was het moeilijk, omdat een getrouwde vrouw zonder kinderen zich in die tijd mislukt voelde als echtgenote en door anderen waarschijnlijk óók zo gezien werd. Dat is de culturele component. Maar voor Sarai zat er ook een gelóófscomponent aan. Want God had haar en Abram een zoon beloofd, waaruit een groot volk zou voortkomen. Maar die belofte was inmiddels al 11 jaar geleden en het ziet er naar uit dat Sarai het geloof aan het verliezen is. Ze heeft de hoop opgegeven en neemt de beslissing om het heft in eigen hand te nemen.
Dit is wat ze doet. Ze zegt tegen Abram, dat hij haar persoonlijke slavin, Hagar, maar als tweede vrouw moet nemen en bij haar een kind moet verwekken. Dat was op zich, in het licht van die tijd, niet zo’n vreemd plan. Voor mannen was polygamie vaak een goede mogelijkheid om zich te verzekeren van nageslacht (tenzij ze zélf onvruchtbaar waren natuurlijk). Maar Sarai gaat een stap verder. Ze biedt hem haar persoonlijke slavin aan, omdat ze op die manier het gevoel heeft dat haarr kind ook een beetje van háár is. Daarom zegt ze in vers 2: ‘misschien kan ik door haar nakomelingen krijgen.’ Kortom: in het licht van die tijd doet ze niets ongebruikelijks. Maar in het licht van de aan haar gegeven belofte begaat ze hier een zonde. En de verteller van het verhaal maakt dat duidelijk, door in zijn verhaal een aantal woorden en uitdrukkingen te gebruiken die hij eerder al gebruikte in het verhaal van de zondeval van Adam en Eva. Zoals Eva Adam verleidde om te eten van de verboden vrucht, zo verleidt Sarai Abram om de slavin Hagar te bevruchten! Sarai doet hier dus wat Eva deed: ze neemt geen genoegen met de belofte en verleidt haar man tot zonde. En net als Adam is Abram te zwak om haar te weerstaan en gaat erin mee. Sarai en Abram nemen dus een verkeerde beslissing.
*Een verkeerde beslissing dus en dat blijkt al snel. Want al gauw komen alle verhoudingen in het vrouwenverblijf op spanning te staan.
Om te beginnen verandert er iets bij Hagar. Waarschijnlijk gaat het niet eens zo bewust, maar feit is dat ze voor haar gevoel een flink stuk in aanzien stijgt en daardoor anders tegen haar meesteres aan ging kijken. Ze was nu immers óók een vrouw van Abram en bovendien zwanger (zij wel) en zo gebeurt het dat ze ‘elk respect voor haar meesteres’ verliest.
Dat is voor Sarai natuurlijk onverdraaglijk en dus beklaagt ze zich bij Abram. ‘Voor het onrecht dat mij wordt aangedaan ben jíj verantwoordelijk’, zegt ze. Nou nou, is dat nou zo? Zij had de boel toch in gang gezet? Maar goed, opnieuw toont Abram zich een zwakke echtgenoot, want hij neemt het niet op voor zijn tweede vrouw Hagar (die daar wel alle recht op had) en draait de zaken eigenlijk weer terug. Hoewel Sarai en Hagar eigenlijk op één lijn staan, geeft hij Sarai toestemming Hagar toch weer als slavin te behandelen. En dat doet Sarai en meer dan dat. Ze maakt Hagar het leven zó zwaar dat ze uiteindelijk op de vlucht slaat.
De gevolgen van het onzalige plan zijn dus heel naar en Hágar wordt van de hele situatie het grootste slachtoffer. Het is een verhaal zoals we dat ook horen van gevluchte vrouwen in ónze tijd. Vrouwen die het slachtoffer werden van het slappe optreden van hun echtgenoot en van de daaruit voorvloeiende willekeur. Vrouwen ook die het slachtoffer werden van polygamie of de ongebreidele promiscuïteit van hun mannen en de mogelijkheden van misbruik die dat gebruik met zich meebrengt. Vrouwen op voor wie het leven zo zwaar werd dat ze op de vlucht sloegen. Als rechtelozen verlaten ze hun huis, op weg naar een ongewisse toekomst. Hebben we daar oog voor?
*Wie er in elk geval wél oog voor heeft is de Here God. Want ergens diep in het zuiden, in de woestijn langs de weg naar Egypte (haar geboorteland) wordt Hagar gevonden door een engel van de HEER. God ziet om naar deze vluchtende, gekwetste vrouw om. En wat dát betekent wordt duidelijk in een paar hele ontroerende details van het verhaal.
Om te beginnen lezen we in vers 7 dat die engel haar aantrof. Letterlijk staat daar: hij vond haar. Hij vond haar, zoals je iets vindt wat je verloren was. Hij vindt dus deze verlorene. En het eerste wat hij doet is vragen ‘waar kom je vandaan en waar ga je heen’? Het zijn de vragen die ook asielzoekers als eerste te horen krijgen als bij de grens komen: waar kom je vandaan en waar ga je heen? Maar hier is het geen formaliteit of vraag naar haar status. Het is een vraag, die bedoeld is Hagar stil te zetten. Om tot bezinning te komen. Wat een zegen, als je als vluchteling zó’n vraag krijgt. Geen vraag geboren uit argwaan of afwerendheid, maar een vraag om je verder te helpen om je bestemming te vinden.
En die bestemming is voor Hagar niet Egypte! Dat is de toch wel verrassende maar vooral ook harde boodschap die Hagar krijgt. Want als Hagar heeft verteld dat ze gevlucht is voor Sarai, haar meesteres, is dit wat ze te horen krijgt: ‘Ga naar je meesteres terug en wees haar weer gehoorzaam.’ In het Hebreeuws staat het er nog scherper: ‘en verneder je onder haar hand.’ Dat is precies hetzelfde werkwoord als in vers 6, dat daar vertaald is met ‘het leven zwaar maken’. De engel snijdt haar dus de pas af op haar vlucht en zegt: je moet terug. Daar hoor je thuis, bij Abram.
Maar waarom dan? Heeft God dan geen oog voor haar ellende? Gaat God dan zomaar mee in al die gedachten over eer en wraak en onderdrukking? Absoluut niet! Er is wat anders aan de hand en dat blijkt uit de belofte die Hagar nu te horen krijgt. Die belofte komt kort gezegd hierop neer: Hagar, je moet terug en aan Abram zijn zoon baren. Deze zoon zal opgroeien en een sterke kerel worden. Een vent als een wilde ezel, het symbool van de vrij rondtrekkende bedoeïen. Ze zal dus een weerbare zoon krijgen, voor wie ze zich niet hoeft te schamen en die de vrijheid zal hebben waar zíj zo naar verlangt. Deze zoon zal voor haar het teken zijn, dat God haar ellende gezien en gehoord heeft. Precies zoals God later de ellende van zijn volk in de slavernij van Egypte zal horen (de schrijver gebruikt hier dezelfde woorden!) hoort hij die ook nu. Daarom moet zij hem Ismaël noemen, dat betekent: God hoort! En het allermooiste is: Ismael zal de stamvader worden van een groot volk. ‘Ik zal je veel nakomelingen geven, zo veel dat ze niet te tellen zullen zijn.’ Is dat niet bijzonder? Deze woorden zijn vrijwel identiek aan die van de belofte aan Abram en Sarai. En als we dan doorbladeren naar Gen.25, dan lezen we daar dat uit Ismaël uiteindelijk 12(!)stammen voortkomen, net als uit Izak, de stamvader van Israël. Hagar krijgt een vergelijkbare belofte als Sarai en daarmee wordt duidelijk, dat God haar zoon, die uit verkeerde motieven verwekt was, in genade aanneemt! Ismaël wordt opgenomen in het plan van God.
Niet zo vreemd dus, dat Hagar als de engel verdwenen is tot een prachtige belijdenis komt. Ze roept tot God en zegt: ‘ U bent een God van het zien. Want heb ik hier niet hem gezien die naar mij heeft omgezien?’ U bent een God van het zien! Dat woord ‘zien’ betekent: omzien naar, zorgen voor. Het is dus aanzien in genade, in ontferming. God bevrijdt Hagar niet uit haar moeilijke situatie en uit de vernedering. Maar hij ziet wél naar haar om en geeft haar en haar nageslacht een toekomst! En de naam van de put zal daar een blijvende herinnering aan zijn. Lachai-Roï. Dat betekent: de levende die mij ziet! Wat een prachtige climax in die aangrijpende verhaal!
*Ik maak tenslotte twee opmerkingen waarmee ik de lijn naar vandaag verder doortrek. De eerste gaat over die belofte aan Ismaël en zijn nageslacht. Hoe ver reikt die belofte eigenlijk? Wat is die waard in vergelijking tot de belofte aan Izak, die later geboren wordt en uit wie het volk Israël zal voortkomen?
Dat wordt een hele spannende als we beseffen dat volgen de Koran Ismael de stamvader van de Arabische volken én van het volk van de Islám is. In de Koran worden de zaken eigenlijk omgekeerd: Ismaël wordt de belangrijkste erfgenaam van Abram en Izak komt op de tweede plaats te staan. Voor veel christenen is het echter zo, dat ze Ismaël hebben afgeschreven. Een goed voorbeeld daarvan is Calvijn, die meende dat de belofte voor Ismaël niet meer kon betekenen dan een ‘tijdelijke weldaad’. Een aardse zegen zonder eeuwigheidswaarde dus. Izak was uitverkoren, Ismaël verworpen. Na Genesis 25 horen we immers niets meer van Ismaël en gaat het verhaal verder met Izak. Dus. Maar is dat wat we moeten concluderen vanuit de verschillende verhalen in Genesis?
Wim Dekker, predikant van de IZB, heeft hier al in 1997 heel diep over nagedacht in een overdenking over Genesis 16. (Zie ook de aantekeningen onder deze preek!) Hij schrijft onder andere dit: ‘Is de geboorte van de Islam in het licht van het bijbels getuigenis over Ismael buiten Gods bemoeienis omgegaan? Is het ontstaan van de Islam het werk van de duivel? Dat lijkt me vanuit Gods bijzondere bemoeienis met Ismael haast onbestaanbaar. Toch moeten we het ook niet gaan invullen. ‘ Laten we het open durven laten, zoals de Bijbel het geheim van Ismael openlaat. Ismael wandelt de Bijbel uit. De bijbel zegt niet dat hij naar de hemel wandelt, ook niet dat hij naar de hel wandelt. De bijbel zegt slechts, maar dat is heel veel, dat Gods ogen hem niet loslaten. Wij mogen met de moslim in gesprek zijn als kind van Ismael met wie God nog niet klaar is. Intussen zullen wij in alle vrijheid en blijheid zeggen, dat deze God voor ons op beslissende wijze gesproken heeft in Jezus, de zoon van God.’ Ik vind dat prachtig gezegd van Dekker. Zo blijft het geheim open, maar het beslissende van Jezus Christus blijft staan. In die spanning moeten we het volhouden.
*In die spanning moeten we het volhouden ja. En als dat érgens gebeurt dan is het wel in het MDP. Ieder jaar komen daar honderden kinderen met hun ouders (vaak moeders) binnen om er op allerlei manieren thuis te komen. En velen van hen zijn moslim. En dat maakt van Westerwijk een spannende plek, waar de woorden van Wim Dekker dagelijks beoefend worden. Enerzijds zijn er steeds weer die ervaringen, dat er veel is wat we als christenen delen met moslims. Op vertrouwelijke momenten kan dat wel eens heel verwarrend zijn: hoeveel verschillen we nu eigenlijk? Maar tegelijkertijd gebeurt alles in het MDP vanuit de overtuiging, dat God op beslissende wijze heeft gesproken in Jezus Christus en dat ook kinderen van Ismaël dat moeten weten. Heel spannend. Dan helpen de overwegingen van Wim Dekker over Hagar en Ismaël echt om het er in uit te houden.
En bóven dit alles uit, geeft de belijdenis van Hagar óók heel veel perspectief voor het werk in Westerwijk. Want alles wat we daar doen staat onder het voorteken van de overtuiging dat God ‘de levende is die ziet’. In vroeger tijden kregen kerkelijke gebouwen vaak bijbelse namen, als Hebron of Eben-Haezer. Dat zou vandaag niet meer werken, omdat niemand het dan meer begrijpt. Maar áls het nog zou werken zouden gebouw Westerwijk eigenlijk Lachaï-Roï moeten noemen. De levende die ziet. Want dat is wat we hopen en waar we het voor doen: dat vrouwen op de vlucht en vele anderen zich daar gezien weten door God, omdat daar engelen zijn die zeggen ‘waar kom je vandaan en waar ga je naar toe?’. Omdat ze daar beloften horen, die de weg naar de toekomst openen en die hun de moed geven om soms vernederende situaties te verdragen en er in vol te houden.
Lachai-Roï. De levende die ziet. En die ons láát zien met zijn ogen. Wat een genade.
Amen
Enkele aantekeningen uit mijn voorbereidingsmateriaal. Bronnen: overdenkingen van ds. Wim Dekker en ds. John van Eck, in respectievelijk de theologische tijdschriften Kontekstueel en Theologia Reformata.
-Ismaël en zijn nageslacht in het boek Genesis
Genesis 17:21 Hernieuwde belofte voor Ismaël. Echter: God richt het verbond op met Izaäk! Genesis 21:13, 17, 18, 20 Hernieuwde belofte. En God was met de jongen. Genesis 25:12-18 Nageslacht van Ismaël: 12 (!) vorsten. Wordt 137 jaar oud.
-Wim Dekker: Kernwoord is hier: geboorten (toledoth). Dit is het dragende woord van alle vertellingen in Genesis. Genesis vertelt over de geboorten van hemel en aarde (2:4), eersteling, eerstelingenvolk, Israël. ‘ Daarom is het zeer verwonderlijk dat ook gesproken wordt van de toledot van Ismael.’ Ismael wordt hier tot aartsvader van de volken! (Dekker). Deze volken leven onder afglans van Israël. God trekt een dubbel spoor. Barnard: ‘ Tweevoudig wordt het geslacht van Abraham voortgezet. Maar de lijnen lopen niet parallel. Er is een gaffel, het gaat verschillende kanten uit. De lijn, die langs Isaäk verder gaat is de draad geworden waaraan heel de Bijbel geregen is. De lijn van Ismael buigt af. We verliezen Ismael uit het gezicht. Zeven bijbelverzen worden nog aan hem gewijd, dan stapt hij uit de Schrift het vrije veld in …. ‘. God verliest hem echter niet uit het oog.
-J. van Eck: Waarom heeft God zoveel aandacht voor deze buitenstaanders? Wat is het gewicht van de beloften aangaande Ismael? Interessant zijn de antwoorden van verschillende theologen
a.Calvijn. Beschouwde Izak als uitverkoren en Ismael als verworpen. De beloften aan Ismael konden volgens hem dan ook niet meer betekenen dan een ‘tijdelijke weldaad’ Zijn exegese voelt heel krampachtig aan! Hij heeft geen oog voor het bijzondere van deze godsontmoetingen.
b.H.F. Kohlbrugge. Hij zet in bij de verwondering, dat God Hagar aanziet en trekt daaruit de conclusie dat zij bij de uitverkorenen hoort. De ontmoeting is er een ‘tot zaligheid’, zeker als we, zoals hij, in de engel een openbaring van Christus zien.
-Islam
Wim Dekker: Ismael is ook de stamvader van de Arabische volken, van de moslims dus. Deze lijnen moeten we niet klakkeloos doortrekken, maar we moeten het wel doen.
Opvallend is, dat in de Koran de zaken worden omgekeerd: God sluit een verbond met Ismael en met Izak. Ismael heeft dus een ereplek. Veel christenen hebben Ismael echter afgeschreven, omdat ze zich exclusief hebben gefocusd op Israël en de beloften aan de aartsvaders.
Wim Dekker stelt de vraag: Is de geboorte van de Islam in het licht van het bijbels getuigenis over Ismael buiten Gods bemoeienis omgegaan? Is het ontstaan van de Islam het werk van de duivel? Dat lijkt me vanuit Gods bijzondere bemoeienis met Ismael haast onbestaanbaar. Toch moeten we het ook niet gaan invullen. ‘ Laten we het open durven laten, zoals de Bijbel het geheim van Ismael openlaat. Ismael wandelt de Bijbel uit. De bijbel zegt niet dat hij naar de hemel wandelt, ook niet dat hij naar de hel wandelt. De bijbel zegt slechts, maar dat is heel veel, dat Gods ogen hem niet loslaten. Wij mogen met de moslim in gesprek zijn als kind van Ismael met wie God nog niet klaar is. Intussen zullen wij in alle vrijheid en blijheid zeggen, dat deze God voor ons op beslissende wijze gesproken heeft in Jezus, de zoon van God.’
-J. van Eck
In soera 2, 133 wordt Ismael als zoon van Abraham op één lijn gezet met Izak. Samen met zijn vader heeft hij de gebedsplaats rond de heilige steen in Mekka gebouwd. Voor moslims is de naam van Ismael dus verbonden met de centrale plek van hun religie. ‘ Dit alles verbonden met de naam van Ismaël, van buitenstaander tot grondlegger gepromoveerd. Had men naast, of tegenover, jodendom en christendom behoefte aan een eigen lijn naar Abraham, de vader van alle gelovigen?’
In de lijn van zijn bijbels-theologische overwegingen hierboven stelt hij: ‘ Leest met de Hagargeschiedenis zoals Kohlbrugge doet, dan krijgt zij ook een eigen functie in het geheel van de Abrahamsgeschiedenissen. Zij laat van meet af aan zien dat de HEERE zich ook buiten Israël in de levens van mensen openbaart. En dat niet alleen als een algemene God, maar als een God die zich ontfermt.’ ‘Waar vertrouwen tussen mensen is, komen dergelijke ervaringen vroeg of laat er sprake. De vraag is of wij ervoor openstaan en die ervaringen durven laten gelden, ook over de grenzen tussen godsdiensten of tussen gelovigen en niet-gelovigen heen.’
|
| < Vorige | Volgende > |
|---|








